Door: Daan van der Meer Fotografie: Rijksmuseum
Vaarverleden
8

Zilver uit de zee, de rijke Hollandse haringvangst

Dat de zoute haring een echte Nederlandse lekkernij is, kunnen veel mensen je vertellen. Maar wat velen niet weten, is dat de haringvangst aan de basis heeft gestaan van de Hollandse welvaart in de Gouden Eeuw.

Het is halverwege juni en vlaggetjesdag in Scheveningen, de dag dat traditiegetrouw de vangst van de nieuwe haring feestelijk wordt onthaald. Bij een viskraam kijken twee enigszins verdwaalde Amerikaanse toeristen vol ongeloof naar hoe een meneer een ‘rauwe’ haring bij de staart pakt, eenmaal door de uitjes haalt en dan weghapt.

De visboer ziet de verdwaasde blikken van de Amerikanen en probeert hen nog uit te leggen dat dit een echte Hollandse delicatesse is en bovendien gezond, maar de toeristen moeten er niets van weten. Net zo min als de visliefhebbers in Scheveningen, die dan ook even niet willen horen dat de haring al lang niet meer door Nederlanders wordt gevangen en dat de vis niet meer per schip, maar per gekoelde vrachtwagen vanuit Noorwegen en Denenmarken in Scheveningen is aangekomen.

Volk van vissers

Tot afgunst van de buurlanden domineerden Nederlandse vissers van eind 16e tot begin 18e eeuw de internationale haringhandel. Eeuwenlang probeerden vissers uit buurlanden, met weinig succes, de Nederlandse viskunsten af te kijken en een graantje van de handel mee te pikken. Op het hoogtepunt aan het begin van de zeventiende eeuw waren er rond de 800 Nederlandse haringbuizen actief en bood de handel werk aan tienduizenden vissers, handelaren, scheepstimmermannen, nettenboeters, zoutzieders, kuipers, touwslagers etc. Naaste het economisch gewin en de broodnodige eiwitten voor het werkvolk, leverde de haringvisserij ook een schat aan kennis en kunde op die Nederland aan het eind van de 16e eeuw een voorsprong op maritiem gebied gaf.

De haringverkoopster, Godfried Schalcken, 1675-1680

Verdreven

In de 14e eeuw waren de Hollanders nog een kleine speler op de haringmarkt, maar twee eeuwen later zouden ze bijna de gehele markt in handen hebben. Deze ontwikkeling is voor een groot deel toe te schrijven aan twee belangrijke uitvindingen, het zogenaamde kaken of zeekaken van de haring en aan de introductie van de haringbuis.

Aan het eind van de middeleeuwen vond de haringvisserij voornamelijk plaats op de Oostzee en de Noordzee. Als de vis jaarlijks door de smalle Sont naar de paaigronden trok, hoefden de vissers niet ver uit de kust te varen om de netten snel vol te krijgen. Na de vangst werd de vis aan wal gebracht en daar werd deze door de vrouwen schoongemaakt en gezouten om vervolgens in de kustgebieden te worden verhandeld. Tot ongenoegen van de Hanze namen in de loop van de 14e eeuw steeds meer Hollanders deel aan de haringvisserij. De Hanze controleerden de zoutmarkt en daarmee de haringvisserij en zij verboden de Hollanders in 1384 om nog te vissen op de Sont. De vissers waren nu genoodzaakt om uit te wijken naar de visgronden boven Schotland, maar ook aan de Schotse kust waren de Hollanders niet welkom. Hierdoor bleef er maar één optie open en dat was de vis na de vangst al aan boord te verwerken, maar hiervoor waren grotere schepen nodig.

Haringbuizen

Niet lang na het verbod van de Hanze deed de eerste haringbuis haar intrede. De buis was een groot rond bolvormig kielschip en had een lengte van 15 tot 25 meter en een breedte van 4 tot 7 meter. Het schip had hoge boorden en aanvankelijk een hoog, vrij recht oplopende achtersteven. De latere buizen kregen net als de kop ook een ronde kont (vergelijk de afbeeldingen). De schepen hadden twee masten en waren dwarsgetuigd. Tijdens het vissen werd vaak de voorste mast gestreken voor ruimte aan boord en stabiliteit. Op grote buizen werkten tot wel 30 vissers, maar de meesten schepen hadden rond de 14 man aan boord. De schepen konden 25 tot 50 last (tot wel 100 ton) aan vracht vervoeren. Snel waren ze bepaald niet, het kon soms wel weken duren eer ze de visgrond hadden bereikt. Vandaar dat vis vaak al tussendoor werd overgeladen op snellere schepen, ook wel ventjagers genoemd, die de vis naar de wal brachten. De vis werd bij de “vleet” gevangen. Dat wil zeggen, de vleet was een bepaald type fijnmazig visnet dat stilstaand rechtop in water dreef en wel meer dan een kilometer lang kon worden. De jonge haring kon door de mazen heen glippen, maar de volwassen haring bleef met de kieuwen in het net steken en kon dan geen kant meer op.

Haringbuis, Meester W met de sleutel, Willem Vanden Cruce, gravure, ca. 1480

Naast de Haringbuis werd er in dezelfde periode nog een andere belangrijke uitvinding gedaan. De visserman Willem Beukelszoon uit Biervliet zou in 1394 het zogenaamde haringkaken hebben uitgevonden. Bij het kaken werden de kieuwen en ingewanden verwijderd en nadat de haring was leeggebloed werd deze gezouten en met pekel in het vat gestopt. Beukelszoon kwam erachter dat wanneer je de rezel (pancreasklier) bij het kaken in de vis laat zitten, dat hierdoor bepaalde spijsverteringsappen zich in het vat mengen die bevorderlijk zijn voor het rijpings- of rottingsproces, waardoor de vis beter geconserveerd bleef.

De mythe van het kaken

Het idee dat het de Zeeuw Beukelszoon was die het kaken had uitgevonden werd eeuwenlang actief in stand gehouden. Zo werd Beukelszoon in Biervliet als een ware held geëerd en zo viel in een stripverhaal over Nederlandse uitvindingen uit 1843 te lezen hoe de uitvinding van het haringkaken thuishoorde in het rijtje van de boekdrukkunst, watermolens en het turfsteken. Jan Schuitemaker schreef: ‘Nadat Willem Beukelszoon het haringkaken in de 14e eeuw had uitgevonden, was er eens een tijd dat de jaarlijksche opbrengst van dezelfde opliep tot ƒ 70.000.000 geschat werd ... waarom men haar de hoofdnering, welvaart en goudmijn dezer Landen noemde.’

Huib Stam, kenner van de haringgeschiedenis, heeft in zijn boek “Haring, een liefdesgeschiedenis” dit verhaal echter naar het rijk der fabelen verwezen. Volgens Stam was Beukelszoon niet de eerste, maar waren de Denen en de Zweden al langer met deze techniek bekend en hebben de Hollanders het waarschijnlijk van hen afgekeken. Hoewel de Hollanders buiten hun wil om de zee op waren gedreven om daar de haring aan boord te kaken, had dit hen wel grote voordelen opgeleverd. Doordat de vis nu langer bewaard kon worden, konden de vissers op zee blijven totdat de ruimen vol waren. Daarnaast groeide het afzetgebied enorm en in tegenstelling tot de kustvissers konden de Hollanders de scholen achterna varen en zichzelf zo van een goede vangst verzekeren. Bovendien bleek de zeegekaakte haring, doordat het rijpingsproces gelijk aan boord begon, van veel hogere kwaliteit te zijn dan de walgekaakte haring. Toen de haringscholen ook nog eens voor de Scandinavische kusten verdwenen, was de weg vrij voor de Hollandse hegemonie.

Willem Beukelszoon, uitvinder van het haringkaken, ca 1380, Hilmar Johannes Back, 1821

Kapers op de kust

Het hoogtepunt van de haringvisserij werd aan het begin van de 17e eeuw bereikt toen zo’n 800 buizen het ruime sop kozen. Naar schatting was er voor iedere visser op zee ook werk voor twee man op de wal. In beroepen uiteenlopend van scheepstimmerman en touwslager tot zoutzieder en straatventer. De visserij bracht grote welvaart voor bijvoorbeeld steden als Amsterdam, Rotterdam en Enkhuizen. Het wapen van Enkhuizen met daarin drie haringen getuigt daar nog steeds van. Niet alleen bracht de haring economisch gewin en grote werkgelegenheid, in een tijd dat de aardappelteelt nog op gang moest komen en vlees duur was, voorzag de haring in de broodnodige eiwitten en vetten voor het groeiende werkvolk van de Republiek. Ter bescherming van de haringhandel werd Het College van de Groote Visscherij opgericht. Het college van de Kleine Visscherij ging over de walvisvaart, dit geeft nog maar eens het economisch belang van de haringvangst aan. Tot het takenpakket van het college behoorde het opstellen en handhaven van regels over de handel en de kwaliteit van de vis, maar ook het beschermen van de beroepsgeheimen en het beschermen van de vloot tegen aanvallen van buitenlandse mogendheden en kapers. De Engelsen en Fransen waren erg jaloers op de Hollandse haringvloot die de haring vaak zo onder hun neus voor de kust wegviste.

Buis die zijn vleet inhaalt. G. Groenewegen 1789

Deze landen vielen de haringvloot dan ook geregeld aan. Ook voor Duinkerkse kapers bleek de langzame haringbuis vaak een makkelijke prooi. Het schip en de lading werden door de kapers doorverkocht en als de bemanning niet overboord werd gezet, werd er losgeld voor gevraagd. Om zich tegen deze gevaren te wapenen vertrok de haringvloot vaak in konvooi, onder begeleiding van gewapende jachten naar de visgronden. In de loop der eeuwen hebben de kapers honderden haringbuizen buit gemaakt. In het jaar 1600 bijvoorbeeld vielen twaalf kaperschepen de haringvloot van 300 schepen aan, waarvan er uiteindelijk 36 in handen van de kapers vielen.

Neergang

Toen de Republiek na de Engelse zeeoorlogen niet meer in staat bleek om de hegemonie op zee te bewaren en de haringvloot te beschermen tegen kapers, was de neergang van de haringhandel een feit. Ook verschoven in de loop van de 17e eeuw de investeringen naar de “rijke” handel in de West of de Oost die veel winstgevender bleek te zijn. Maar deze handel van de VOC en WIC was niet mogelijk geweest als de haringhandel niet de basis had gelegd voor de netwerken en maritieme kennis waarvan de VOC en WIC profiteerden. Tot in de 18e eeuw bleef de Hollandsche manier van vissen toonaangevend, maar toen de haring weer voor de Scandinavische kusten opdook, kwam de handel weer in handen van de Denen, Noren en Zweden en werd de Hollandse Nieuwe door Scandinaviërs gevangen.

Tekst: Daan van der Meer