100 jaar Zuiderzeewet: Wachten op het water

Zonder de Zuiderzeewet had Nederland er vandaag de dag heel anders uitgezien. In 2018 vieren we het honderdjarig bestaan van de wet, die Nederland een stuk groter maakte.
Zuiderzeewet

Een rekening vergeten te betalen eindigt in een herinnering en die dakgoot vergeten te repareren zorgt uiteindelijk voor lekkage. Maar de Zuiderzeewet, die vervolgens jaren in een laatje belandde, leidde tot tientallen doden. De natuur laat zich niet plannen, laat staan temmen. Misschien denk je bij ‘de’ watersnoodramp direct aan 1953 en de Zeeuwse eilanden, maar noordelijker in ons land denken mensen eerder aan de Zuiderzee. De stormvloed uit die winter van 1916 wordt ook wel de ‘vergeten watersnoodramp’ genoemd. De Zuiderzee liet zijn brute kracht zien op een moment dat niemand het zag aankomen. Behalve Cornelis Lely.

Cornelis Lely werd in 1854 geboren in Amsterdam. Zijn vader was graanverkoper en had het goed, waardoor Cornelis het voorrecht had te kunnen studeren. Hij koos voor Civiele Techniek aan de Polytechnische School in Delft (de tegenwoordige Technische Universiteit Delft), een studie die zich richtte op het ontwerpen en bouwen van bruggen, wegen en kanalen. In 1875 studeerde Cornelis af en werd hij Ingenieur Lely. Hij begon zijn carrière bij Rijkswaterstaat. Hij hield zich bezig met de bouw van sluizen, werkte hard aan de Kanalenwet samen met de toenmalige Minister van Rijkswaterstaat Johannes Tak van Poortvliet en deed veel kennis op over water en overstromingen. De stad Deventer werd voor hem een pijnlijk dossier. Zijn plannen om de stad te beschermen tegen hoog water uit de rivieren doen hem uiteindelijk de das om: hij werd ontslagen bij Rijkswaterstaat omdat de plannen veel te duur waren. Wat Cornelis toen nog niet wist, is dat hij met die kennis over kustbeheersing later een allesbepalende rol zou krijgen in de grootste civiele verandering van de 20ste eeuw: de Zuiderzeewerken.

Portret Cornelis Lely door de Nederlandse schilder H.J. Haverman in 1899. 

Werken met water

In de laatste 25 jaar van de 19de eeuw wordt veelvuldig gepraat over de drooglegging van de Zuiderzee. Het wordt zelfs genoemd in de troonrede van 1874. De plannen blijven echter vaag en toenmalige kabinetten maakten geen haast. In 1886 wordt de Zuiderzeevereniging opgericht met als doel: de Zuiderzee inpolderen en ook Lely wordt lid. Plannen voor de drooglegging worden de eerste jaren niet enthousiast ontvangen, maar Lely blijft ambitieus. In 1891 presenteert hij het eerste haalbare technische plan voor de Zuiderzee; het kon dus echt. Lely beschrijft de voor- en nadelen. Op punt één van de voordelen stond nadrukkelijk: “De afdoende beveiliging tegen overstrooming van de Zuiderzee provinciën”. Daarnaast sprak Lely over een kostenbesparing op de dijken van het binnenwater dat zo zou ontstaan. Als een grote dijk ervoor zou zorgen dat de andere dijken, van bijvoorbeeld Noord-Holland en Friesland, minder onder druk zouden komen te staan, dan was dat voordeliger. Een ander voordeel was de verbinding tussen Noord-Holland en Friesland. Een dijk zou deze plekken met uren winst in reistijd met elkaar verbinden en zelfs een spoorwegverbinding zou tot de mogelijkheden behoren. En het grootste nadeel? Dat zat hem volgens Lely op ‘de visscherij’. Een terecht punt waar veel beroepsvissers zich zorgen om maakten. Als tegenargument kon worden aangevoerd dat deze grote civiele plannen ook weer voor meer werkgelegenheid zouden zorgen. Voor boeren had de drooglegging een heel andere impact dan voor vissers: de landbouw zou juist groeien, vanwege landwinning na de drooglegging. Twee beroepsgroepen met twee totaal verschillende belangen stonden tegenover elkaar. Wederom was, naast alle verschillende belangen, het kostenplaatje een zorgpunt. 

Vlak na zijn presentatie wordt Lely gevraagd om minister te worden; in 1891 wordt hij Minister van Rijkswaterstaat, Handel en Nijverheid in het kabinet-Van Tienhoven. Hij vindt echter weinig draagvlak voor zijn plannen en dus blijft het Zuiderzeeproject liggen. Ondertussen is hij in zijn tweede kabinet druk met het ontwikkelen van de Scheveningse haven en het uitdiepen van het Noordzeekanaal. Na een politieke periode in Suriname komt hij terug in Nederland en wordt hij in 1913 voor de derde keer minister. Een hoogtepunt in die tijd is de uitspraak van Koningin Wilhelmina in de troonrede van datzelfde jaar: “Ik acht den tijd gekomen om de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van den waterstaatkundigen toestand der omliggende provinciën, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn. Een wetsontwerp tot uitvoering van die afsluiting en gedeeltelijke droogmaking zullen U worden aangeboden” Een eerste officiële handreiking van het kabinet, via de Koningin, naar Lely. 

Voedselschaarste 

Ondanks de veelbelovende woorden van de koningin, kwam het wetsvoorstel er vooralsnog niet. Al snel moest Nederland zich zorgen maken om iets heel anders: in 1914 begint de Eerste Wereldoorlog en waren zaken als voedsel en veiligheid van groter belang. “Elk nadeel heb zijn voordeel,” zei een welbekende stadsgenoot van Lely een eeuw later; ook in tijde van oorlog bleek dit zo te zijn. Het gebrek aan voedsel maakte namelijk de vraag naar nieuwe landbouwgrond groter en de drooglegging van de Zuiderzee was relevanter dan ooit. Maar de staatskas liep in de tijd van oorlog niet over. Het Zuiderzeedossier hing inmiddels al meer dan 30 jaar in de lucht. Als oorlog en honger niet het laatste duwtje in de rug waren voor politici om de plannen van Lely door te zetten, wat was er dan voor nodig?

Een muur van water

Die desbetreffende vrijdagochtend in januari was de wind eindelijk gaan liggen. Drie dagen lang had er een harde storm gewoed vanuit het noordwesten en men durfde weer langzaam adem te halen. Zeilers weten: na een lange storm mag op het land de rust zijn wedergekeerd, maar het water begint dán pas te bewegen. En inderdaad: het ging alsnog helemaal mis. W. Van Engelenburg, toenmalig gemeentesecretaris in Broek en Waterland, was getuige van de eerste rampsignalen. In de vroege ochtend van 14 januari 1916 kwam er een eerste waarschuwing. Het was net zes uur geweest en de gemeentesecretaris spoedde zich naar de ingang van het dorp. 

“Daar zag ik de Waterlandschen dijk, die zich als een donkere streep afteekende tegen den grijzen achtergrond, maar met een oog opslag zag ik ook, dat die streep in de buurt van Zuiderwoude eensklaps werd afgebroken. Ontzet staarde ik naar die plek, waar alles grauw was en grijs; het was alsof ik in de verte een muur zag van water! Een oogwenk daarna drong het tot mij door, dat dit water met geweld zich stortte op ons lage land, dat het spoedig hier ons zou bereiken!” 

En dat deed het. De dijken waren niet op één plaats gebroken; alleen rondom Waterland al op drie plekken, met zo’n acht grote gaten. De Waterlandsche Dijk ten noorden van Uitdam was doorgebroken en zo ook de Katwouderpolderdijk tussen Volendam en Monnikendam. Waterland, het volledige gebied tussen Amsterdam en Purmerend, begon vol te lopen met water. Het gebied lag zo’n twee a drie meter onder zeeniveau, dus het kwaad was snel geschied. Van Anna Paulowna tot Ransdorp; alles stond onder water. 

Niet alleen Noord-Holland kwam in de problemen. Rondom de hele Zuiderzee liepen polders onder, in Gelderland braken dijken rondom Nijkerk en Elburg en het binnenland van Utrecht kwam ook in de problemen. Ook in Rotterdam waren er overstromingen omdat de rivieren het hoge waterpeil niet konden verwerken. Het water in Sliedrecht kwam zo meer dan drieënhalve meter hoog te staan. Maar de allergrootste impact had de ramp op Marken. Daar verdronken 16 mensen, tientallen huizen werden weggeslagen en 20 botters zonken af of werden op de dijk gesmeten. Koningin Wilhelmina bezocht het rampgebied om de bewoners een hart onder de riem te steken en doneerde uit eigen zak 10.000 gulden. Ook Prinses Juliana keerde haar spaarpotje om ten gunste van het Watersnood-Comité. Maar de stormvloed was niet alleen merkbaar aan land, ook zeevaarders hadden het zwaar: meer dan 30 mensen verdronken op zee. 

Niet alleen mensen kwamen om. Honderden koeien dreven letterlijk door Amsterdam en Zaandam. Het aantal verdronken schapen was nog vele malen hoger. Vee werd naar hoger gelegen gebieden gebracht, die vaak kerken bleken te zijn. De ramp spaarde mens noch dier, en bracht ook het bedrijfsleven, de visserij en woningen grote schade toe. De chaos rondom de Zuiderzee was compleet. Precies zoals Lely had voorspeld.

Een prentbriefkaart uit 1916.
Een achterwiel(stoom)sloep van
de Koninklijke Marine assisteert
bij het transport van vee over
het ondergelopen land. Collectie
Het Scheepvaartmuseum. 

Precies 100 jaar geleden

Als het kalf verdronken is, dempt men de put. Hoe letterlijk kan je dit spreekwoord nemen? Eindelijk ontstond na een ramp van nationale omvang consensus: dit mocht nooit meer gebeuren en maatregelen waren noodzakelijk. De Zuiderzee zou worden afgesloten. Na de ramp ging het snel: het wetsontwerp wordt op 9 september 1916 door Minister Ingenieur Cornelis Lely bij de Tweede Kamer ingediend en de Zuiderzeewet werd op 21 maart 1918 door de kamer aangenomen. Op 13 juni stemde de Eerste Kamer in met de wet en na de afkondiging in het Staatsblad op 14 juni 1918 is het officieel:  De Zuiderzeewet is aangenomen. De wet die ervoor moest zorgen dat men veilig zou zijn voor het zoute water. Althans… in het noorden des lands. De Zuiderzeewerken zouden de Zeeuwen zo’n 30 jaar later niet beschermen. Die kregen op hun beurt te maken met een ramp die de geschiedenis in zou gaan, waarna een vernuftig civiel werk ook deze provincie zou beschermen, in de vorm van de Deltawerken. Water vindt altijd een weg. Dat weten Nederlanders inmiddels maar al te goed. Het water altijd een stapje voor zijn is een vak geworden waar we als volk in uitblinken en internationaal vaak voor gevraagd worden.

Gekust en gekroond

Lely’s lobby voor de Zuiderzee werd zijn levenswerk. Toen Cornelis al ver in de 70 was, kon hij het onderwerp nog steeds niet loslaten. Hij gaf lezingen over de hele wereld, maar zou de daadwerkelijk afgesloten Zuiderzee niet meer met eigen ogen zien. Hij stierf in 1929, drie jaar voordat de Zuiderzee definitief werd afgesloten. Zo werd het grootste, graag bezeilde binnenwater van Nederland een zoetwatermeer. Zijn naam leeft voor in onder andere de stad Lelystad, het treinstation Lelylaan en zelfs in Suriname heet een gemeente Lelydorp. Koningin Juliana onthulde op zijn honderdste geboortedag in 1954 een standbeeld van Lely. Dat kon natuurlijk maar op één plek komen: de Afsluitdijk. Zíjn Afsluitdijk. Want zonder Lely was die er zeker niet gekomen. 

Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Tekst: Marleen Stavenuiter. Lees het hele artikel in Nautique.

Laatste nieuws